Spinoza en Descartes

(Af en toe geef ik nog eens een lezing. Dan vraagt men mij vaak naar de tekst ervan. Dit is de tekst van zo’n lezing. Veel leesgenot gewenst.)

Beste vrienden,

In zijn boek Enchiridion militis Christiani (Handleiding voor de soldaat in het leger van Christus) uit 1504 zegt Erasmus dat de deugd afhangt van twee dingen: in de eerste plaats zelfkennis, en in de tweede plaats niet volgens de passies handelen, maar volgens de richtlijnen van de rede. Niets is moeilijker te bekomen voegt hij eraan toe dan zelfkennis en een rationeel gedrag, maar er is voor een mens geen groter beloning mogelijk. De toewijding en ascese die zulk een levensweg vergt is de inspanning ruimschoots waard, omdat die leidt tot de hoogste vreugde die wij als mens kunnen ervaren. Zoals Plato zei: “Alles wat uitmuntend is, is moeilijk.” Een kleine tweehonderd jaar na Erasmus, in 1677, schreef Baruch Spinoza in de Ethica: “Alles wat uitmuntend is, is even moeilijk als zeldzaam.” Erasmus en Spinoza kwamen beide tot dezelfde conclusie, maar zij tapten niet uit hetzelfde vaatje. Erasmus haalde zijn wijsheid uit de teksten van de Bijbel en de Antieken en bij de filosofen van de Renaissance. Spinoza putte uit de joodse volkstraditie van de Sefardische joden (maranen) en Maimonides (1135-1204), en later uit het rationalisme van Descartes (1596-1650), Hobbes (1588-1679) en Machiavelli (1469-1527).

Ik heb mij altijd afgevraagd wat de hedendaagse postmoderne intellectuelen bezielt om zo te dwepen met de figuur van Spinoza (1632-1677), terwijl ze Descartes (1596-1650) beschouwen als een voorbijgestreefd wetenschapper. Ik vind zowel Spinoza als Descartes historisch zeer belangrijke figuren voor onze Westerse beschaving, maar volgens mij is Descartes absoluut de grootste.

Spinoza heeft Descartes in 1655 leren kennen, hij was toen drieëntwintig. Het was een openbaring , en hij is zijn leven lang door hem gefascineerd gebleven. Hij bewonderde hem en nam zijn denken praktisch helemaal over, maar toch kon hij met een aantal van zijn fundamentele stellingen geen genoegen nemen en verkoos hij zijn eigen bespiegelingen.

Descartes is een van de grote reuzen van de wetenschap op wiens schouders geleerden als Newton en Kant omhoog zijn geklommen. Spinoza is een metafysicus die de glijbaan heeft ingezeept waarlangs Marx, Nietzsche en Heidegger, en zoveel andere denkers naar beneden zijn gegleden. Spinoza is volgens mij de echte vader van het nihilisme. Hij is de grondlegger van de moderne valse vrijheid van denken, en van de dood van de filosofie die daar het gevolg van is.

Ik heb geprobeerd mij wat meer vertrouwd te maken met beide auteurs, door boeken en artikels over hen te lezen, maar ik heb ook hun werk zelf van nabij bekeken. Van Descartes heb ik met veel plezier de Discours de la Méthode herlezen. Van Spinoza heb ik nog eens geprobeerd de Ethica te lezen, maar dat was met gemengde gevoelens en ik heb meer dan de helft van de bladzijden overgeslagen. Ik heb wel één ding geleerd, namelijk dat het een illusie is te denken dat er vandaag ook maar enige duidelijkheid bestaat over de ware betekenis van die beide genieën. Hun denken is zo complex en tegelijk zo tijdsgebonden, dat alleen simplificaties van hun redeneringen nog toegankelijk zijn.

Zoals ik jullie al zo vaak heb gezegd is tijdsbesef, zelfs onder hoogopgeleide intellectuelen, een bijzonder zeldzaam goed. En de versnelling, die de machine vandaag steeds dwingender aan de lezer oplegt, en de schandalige aandachtsroof door de publiciteit en de propagandatechnologie, maakt van de doorsnee hedendaagse geleerde – als ik zo vrij mag zijn om het te zeggen – een gediplomeerd leeghoofd. Er wordt over Descartes en Spinoza gesproken alsof die in de 21ste eeuw in Oxford of in Harvard lesgeven. Maar zij leefden in de zeventiende eeuw, in de tijd van Galilei. Zij stonden niet alleen in een andere wereld dan wij, maar ze spraken ook een andere taal. De communicatie was toen aan geheel andere regels en sociale afspraken onderworpen dan vandaag.

Op het vlak van het abstract denken, stonden sommige grote geleerden uit de zeventiende eeuw misschien wel verder dan wij vandaag. De maatschappelijke orde was ook absoluut niet te vergelijken met die van een moderne democratie. Op politiek en religieus vlak leefde Europa nog in de Middeleeuwen. Dat wil zeggen ongeveer zoals vandaag de Iraanse bevolking onder de ayatollahs of de Israëlische bevolking onder de ultraorthodoxen. U kent het verhaal van Galilei en weet dus hoe gevaarlijk het toen was om rationeel te denken en wetenschap te bedrijven. De zeldzame geleerden die het middeleeuws denken durfden in vraag stellen, kregen van nabij te maken met kerken en universiteiten en politieke partijen die nog volop in de filosofie van Aristoteles en de theologie van Thomas van Aquino geloofden. Het was de tijd van de godsdienstoorlogen en de dertigjarige oorlog. Overal in Europa heerste de grootste onverdraagzaamheid. Om wetenschap te bedrijven heeft een denker vrijheid van mening en van onderzoek nodig. Het land dat toen aan de vrijdenkers de meeste vrijheid bood was de Verenigde Provinciën. Descartes verbleef er 22 jaar. Spinoza werd er geboren in de gemeenschap van de maranen, de Portugese joden in Amsterdam. Hij bracht er zijn hele leven door.

Ik ga mij vanavond beperken tot twee punten. Eerst wil ik die beide denkers kort situeren, en daarna ga ik u vertellen waarom ik Descartes graag lees en bewonder, en waarom Spinoza, ondanks zijn onvervangbare rol in de emancipatie van het westers rationeel denken, eerder op mijn zenuwen werkt.

Boeken tonen:

Ik toon u eerst een paar boeken die ik interessant vind.

Tinneke Beeckman, Door Spinoza’s lens

Dit is een toegankelijk werkje van Tinneke Beeckman: Door Spinoza’s lens: macht, meditatie, manifestatie, evolutie, seksualiteit. Het is een goede inleiding, niet zozeer op het denken van Spinoza, maar hoofdzakelijk op de manier waarop Spinoza vandaag over het algemeen wordt gelezen. Eigenlijk gaat het meer om besnuffelen dan om daadwerkelijk lezen. Het boekje geniet niet onterecht een zekere populariteit, maar het is geen meesterwerk. Tinneke Beeckman heeft gesprokkeld in het uitgestrekte bos van uitspraken van Spinoza met de bedoeling een overzicht te geven van zijn denken. Het eerste deel gaat daarover. Het schept een nogal verwarde indruk en geeft daardoor een goed beeld van het denken van Spinoza. Het tweede deel gaat meer over Tinneke Beeckman zelf. Ze vertelt ons wat Spinoza’s filosofie met haar doet en waar zij Spinoza voor gebruikt. Het hoofdstuk over meditatie begint als volgt:

Spinoza is een complexe en abstracte denker. Toch vinden tal van zijn lezers zijn filosofie meteen praktisch bruikbaar, en ik deel die ervaring. Die toepasbaarheid kent vele kanten. In dit hoofdstuk bespreek ik hoe meditatie een begin kan zijn van zelfkennis en actie. (p. 115)

Het is een vlot leesbaar postmodern boekje. Het antwoordt eigenlijk niet op de vraag wie Spinoza was, of wat hij dacht, maar vertelt ons waar het werk van Spinoza de mensen vandaag volgens Tinneke Beeckman zou doen aan denken, als ze het zouden lezen.

– Alain Minc, Spinoza, un roman juif

Dit is een boek van de Franse spindoctor Alain Minc: Spinoza, un roman juif. Alain Minc is een invloedrijke Franse econoom, essayist en ondernemer. Hij is ook consulent van talrijke beursgenoteerde bedrijven. Hij is een bekend raadsman van de Franse politieke elite en een goede vriend van president Sarkozy. Zijn boek is een nogal pedante uiteenzetting over het leven en de opinies van Spinoza. Minc richt zich duidelijk niet tot de doorsnee lezer. Hij schrijft in een nobele stijl voor een geleerd publiek en klinkt nogal pedant. Maar zijn informatie is wel verhelderend. Hij wordt echt pretentieus wanneer hij zich permitteert commentaar te geven op de psychologie van Spinoza en te fantaseren over diens ego en persoonlijkheidskenmerken, wat natuurlijk belachelijk is, gezien daar weinig of niets over bekend is. Minc begaat ook de fout van bijna alle hedendaagse onderzoekers : hij projecteert moderne sociale en psychologische opvattingen op personen en omgangsvormen van 400 jaar geleden. Hij beseft niet hoe anders de mensen toen leefden en dachten. Er is ook bij hem sprake van een jammerlijk gebrek aan tijdsbesef…

– Spinoza, Ethica

Dit is het boek waarin Spinoza zijn denken van naaldje tot draadje heeft uitgewerkt, de Ethica. Het is een jaar na zijn dood verschenen, in 1678. Het is opgevat als een rationele uiteenzetting over het ‘al’ volgens de euclidische methode. Het begint met het hoofdstuk De Deo, waarin hij zijn voorstelling van God uit de doeken doet. Daaruit leidt hij dan al de rest van zijn redeneringen af volgens de euclidische methode. Dat wil zeggen dat hij vanuit die eerste basisstelling over God, de hele rest van zijn stellingen afleidt en bewijst. Ik vertel er straks meer over. Er is naast de Ethica nog een boek van Spinoza waar veel naar verwezen wordt. Ik heb het eveneens slechts gedeeltelijk gelezen. Het is de Tractatus Theologico-Politicus. Meestal wordt het, in de talloze artikelen die vandaag over Spinoza verschijnen, afgekort als TTP. Het boek is van 1670, zeven jaar voor zijn dood, en werd anoniem uitgegeven. Het is voor een groot deel een aanval op de joodse gemeenschap; sommigen interpreteren het als een wraak op de Amsterdamse joden die hem uit hun gemeenschap hebben verbannen en vervloekt. Het is geen leuk boek. Maar!!! De inleiding, die ik aan iedereen ten zeerste wil aanraden, is het lezen waard. Over de inhoud van het boek wil ik verder niets kwijt, behalve dat ik ervan overtuigd ben dat Spinoza de Bijbel verkeerd leest. Hij interpreteert de teksten letterlijk, en daardoor vergist hij zich compleet: hij komt tot het besluit dat er geen connectie of verband is tussen de theologie en de filosofie. Hij herkent in de Bijbel alleen de morele wetten en de oude mythen. Hij heeft geen respect voor het aloude joodse rationeel denken. Hij reduceert het tot de virtuele wereld van het bijgeloof. Dat is het gevolg van zijn scholing, die hem geen toegang had verschaft tot de allegorische betekenissen die in de bijbelteksten verborgen zitten, zodat de rationele dimensie van de Bijbelse boodschap hem niet bekend was. Als scepticus was hij dus verplicht de theologie te beschouwen als een mythe, zoals ook de postmodernen doen die vandaag in zijn voetspoor lopen.

In wezen is de filosofie door de evolutie van de taal en de cultuur precies ontstaan uit de theologie, en de band tussen beide is niet alleen een historisch feit, maar een blijvend gegeven, aangezien de ontogenese, ook bij de mens, de fylogenese weerspiegelt, wat betekent dat de volwassen denker het vrije denken zonder persoonlijke God pas kan leren kennen wanneer hij door zijn meesters tot de ontwikkeling van een persoonlijke rationele taal is gebracht, en dus volwassen is geworden. In een cultuur waar de rationele taal geen vrij spreekrecht heeft, kan een individu geen atheïst worden. Hij kan hoogstens een goddeloze zijn.

De Filosofie is de dochter van de Theologie en in de hoogontwikkelde culturen blijven beide daardoor onvermijdelijk bestaan naast elkaar. Maar Spinoza wil dat niet geweten hebben. Hij beweert dat de filosofie en de theologie volkomen los van elkaar staan en bijgevolg elkaar niet nodig hebben. Hij is nochtans zelf, omdat hij eerst kind was alvorens een rationeel denker te worden, een duidelijk voorbeeld van de onverbrekelijke band tussen de theologie en de filosofie.

Spinoza wil ook tot elke prijs voorkomen dat men hem zou kunnen beschuldigen van atheïsme, en dat is een reden te meer waarom hij de theologie en de filosofie volledig van elkaar wil los maken. Die stelling laat hem immers toe vrij met de filosofie zijn gang gaan. Maar hij slaagt er niet in zich los te denken van God. Hij bouwt zelfs heel zijn filosofie op een God die noodzakelijk bestaat… Het eerste en belangrijkste hoofdstuk van de Ethica Ordine Geometrico Demonstrata, waarin hij heel zijn denken opbouwt volgens de euclidische methode, heet De Deo, Over God. Het had De Homine moeten zijn.

Spinoza publiceerde naast de TTP in 1663 een commentaar op het denken van Descartes: de Beginselen van de filosofie van Descartes. Dat is het enige werk dat tijdens zijn leven onder zijn eigen naam verscheen. Hij zet daarin de cartesiaanse filosofie uiteen, eveneens via de euclidische methode, en bekritiseert ze. Het staat op mijn leeslijstje.

Spinoza heeft zonder twijfel een zeer belangrijke rol gespeeld in het opruimen van het middeleeuwse bijgeloof en het religieus dogmatisme, waarvoor wij hem eeuwig dankbaarheid verschuldigd zijn. Maar Voltaire en Diderot, Nietzsche en Freud hebben zijn sociale rol als bevrijder van het filosofisch denken overgenomen, en vandaag wordt Spinoza’s werk volgens mij misbruikt om het postmodern gedachtegoed te onderbouwen en verder tot in het absurde te drijven. Hij is de Thomas van Aquino geworden van het hedendaags antifilosofisch denken, de zalig verklaarde kerkvader die alles tot in het laatste detail voor ons heeft voorgedacht en opgeschreven, en in wiens ondoorgrondelijke schrijfsels de komende honderd jaar nog druk zonder succes naar betekenis zal gezocht worden.

José Rodriguez dos Santos, Spinoza, l’homme qui a tué Dieu.

Dit is een heel interessant recent boek over Spinoza van de hand van de Portugese journalist José Rodriguez dos Santos, Spinoza, l’homme qui a tué Dieu. Het is in het Frans verschenen in 2024 in de reeks Pocket van de uitgeverij Hervé Chopin. Dos Santos is journalist, cineast, en oorlogscorrespondent, hij is een bekende nieuwslezer op de Portugese televisie, en ook auteur van talrijke wetenschappelijke en historische thrillers. Zijn romans worden in Frankrijk veel gelezen, maar bij ons is hij zo goed als onbekend. Van dit boek is er ook nog geen Nederlandse vertaling verschenen. Dos Santos is naast al die activiteiten ook professor communicatiewetenschappen aan de universiteit van Lissabon. Hij is een echte duizendpoot. Ik vermoed dat hij de computer en ghostwriters inzet om zijn boeken te schrijven, want voor zover ik kan zien, zijn ze allemaal min of meer afkooksels van de Da Vinci Code van Dan Brown. Maar dit ene boek is anders. Ik ben er zeker van dat hij het helemaal zelf in elkaar heeft gezet. Het is zeer goed gedocumenteerd en het is prachtig verteld, en ook heel mooi vertaald. Een absolute aanrader voor wie Spinoza als mens wil leren kennen, en geïnteresseerd is in een verstandig overzicht van zijn denken.

– Ettore Lojacono, Descartes, Pionier van de moderne wetenschappen

Dit is een biografie van Descartes die, naast zijn filosofie, ook zijn wetenschappelijk onderzoek belicht. Descartes, pionier van de moderne wetenschappen, van Ettore Lojacono. Het is een prachtig geïllustreerd boek uit de reeks Natuurwetenschap en Techniek, uitgegeven in 2010 bij van Veen Magazines in Amsterdam, en voor mij verrassend in die zin dat ik, die alleen met de filosofie van Descartes enigszins vertrouwd was, hier ontdekte dat Descartes een nog ongelooflijker duizendpoot was dan Dos Santos. Hij bedreef alle wetenschappen tegelijk: wiskunde, sterrenkunde, epistemologie, optica, muziektheorie, anatomie, filosofie, theologie, geschiedenis, en hij bouwde ook automaten die werkten. En wat hij vertelde was geen gewone kost, want op al die gebieden verrichtte hij baanbrekend werk.

Men dient […] ervan overtuigd te zijn dat alle wetenschappen zodanig onderling met elkaar verbonden zijn, dat het veel makkelijker is ze allemaal samen te leren dan ze van elkaar te isoleren. (Descartes) (Citaat 1 op de achterflap van het boek)

– Descartes, Discours de la Méthode

Dit is een boekje dat ik gekocht en voor de eerste keer gelezen heb in 1986. Het bevat de beroemdste tekst uit de geschiedenis van de westerse filosofie. Zes kleine hoofdstukken, alles samen 90 bladzijden in klein formaat, een werkje dat iedereen kent, maar dat niemand leest. De Discours de la Méthode. In deze uitgave van Le Livre de Poche uit 1973, wordt de tekst van Descartes voorafgegaan door een inleiding die eveneens 90 bladzijden beslaat. Ze is van de hand van een bekende Franse journalist recensent, Jean-François Revel. Hij is de vader van Matthieu Ricard, de boeddhistische monnik die zichzelf de gelukkigste mens ter wereld noemt. Die 90 bladzijden waarin Revel Descartes helemaal in de grond probeert te boren, zijn eigenlijk veel meer dan een inleiding: het is een heus essay. Het dateert uit 1973 en draagt de titel Descartes inutile et incertain. Descartes, nutteloos en onzeker. Het is een beschamend ongenuanceerde veroordeling van de filosofie van Descartes, en weerspiegelt perfect de hersenloze manier waarop de Franse intelligentsia zichzelf sedert honderd jaar op belachelijke wijze over het paard tilt. Het is zeker niet Descartes die “inutile et incertain” is, maar alleszins wel Jean-François Revel zelf. Enfin, Boeddha hebbe zijn ziel.

De Discours de la Méthode, een aanrader voor de hooggeschoolde lezer! Maar vergis u niet, wie niet zeer grondig heeft leren lezen, legt het boekje gewoon opzij na twintig bladzijden. Ik spreek uit ondervinding. Toen ik het kocht had ik al twaalf jaar mijn diploma filologie op zak, en ik las met veel genoegen Proust en Shakespeare, maar de taal van Descartes ging toen nog boven mijn petje…

– Jan-Hendrik van den Berg, Metabletica van God

En dan toon ik u ook nog dit boek van de u welbekende Nederlandse psychiater Jan Hendrik van den Berg, Metabletica van God. Het gaat in zijn geheel over het verband tussen godsdienst en architectuur, voornamelijk tempelbouw. Ik vind het een zweverig werk, maar ik breng het hier ter sprake omdat van den Berg in een tiental bladzijden vertelt over de mysterieuze mystieke ervaring die Descartes had toen hij 23 was en in Duitsland verbleef. De jonge Descartes kreeg daar, terwijl hij aan het studeren was op een theoretisch vraagstuk dat hem al enige tijd bezig hield, plots een verrassende inval die hem helemaal van streek bracht. Hij heeft nooit ergens opgeschreven wat dat bijzondere inzicht was waar hij toevallig op stootte, en sinds vierhonderd jaar proberen alle soorten geleerden te raden waar het eigenlijk over ging. Dat doet ook van de Berg. Ik kom er straks op terug.

– De Mechelse Catechismus

En dan heb ik ook nog eens de Mechelse Catechismus uit de oude doos gehaald om er drie belangrijke vragen uit voor te lezen.

Maar nu eerst:

Wie is Spinoza?

Spinoza wordt vandaag aan de universiteiten als een van de grootste denkers beschouwd. Er verschijnen dagelijks wereldwijd artikels over zijn leer. Overal in de beschaafde wereld zijn professoren en assistenten druk bezig met over hem te publiceren. Sinds Nietzsche ons – al naargelang onze geloofsopvattingen – blij verraste of diep teleurstelde met zijn boodschap “God is dood”, hebben de postmoderne sceptici over het algemeen genoegen genomen met de comfortabele tussenoplossing tussen geloof en ongeloof die Baruch Spinoza heeft uitgedacht. Ze hebben het allemaal in lovende termen over het “Deus sive natura”. Atheïsten zoals Vermeersch zaliger en de onzalig verklaarde Maarten Boudry, kunnen zich min of meer verzoenen met het standpunt van Spinoza dat ‘god’ gewoon een ander woord is voor ‘de natuur’. Niemand heeft uiteraard bezwaar tegen het bestaan van de natuur. En dat de rest van de wereld allerlei persoonlijke goden blijft aanbidden hindert niet, zolang ze ons maar niet verplichten om hetzelfde te doen. De natuur is bovendien ook neutraal. Ze is een god die geen offers of aanbidding vraagt, en geen religieuze wetten oplegt. Dus ‘ça va’.

Voor Spinoza is de natuur, behalve god, ook nog alles, het al. Of in filosofisch jargon, de substantie. De god van Spinoza is uiteraard eeuwig en overal, en hij is uit zichzelf ontstaan, en hij is alles, want de natuur omvat alles wat er is, de hele materiële en de hele geestelijke wereld. God is alles in alles volgens Spinoza. Als dat werkelijk zo is, dan heeft de Mechelse catechismus van 1953 dus gelijk. Dit is de Catechismus waaruit ik in de lagere school zelf nog de eerste honderd vragen en antwoorden moest van buiten leren.

27. Noem enige volmaaktheden of eigenschappen van God?

God is oneindig machtig, wijs en heilig; Hij is oneindig goed, barmhartig en rechtvaardig; Hij is onveranderlijk, eeuwig en alomtegenwoordig.

Natuurlijk is Spinoza’s God nog veel meer dan dat, want hij is alles, dus ook slecht en kwaadaardig, om maar iets te zeggen. Hij is alles, en dus zal (en moet) hij ook zichzelf tegenspreken…

28. Waar is God?

God is overal: in de hemel op de aarde en op alle plaatsen.

30. Is er meer dan één God?

Neen, er is maar één God.

Spinoza is het hiermee volledig eens: er is maar één substantie, één God. Spinoza is een monist. U weet ongetwijfeld allemaal dat Descartes een dualist wordt genoemd, en dat dat als de belangrijkste reden wordt naar voor geschoven waarom hij door de postmodernen als wetenschapper niet ernstig kan genomen worden.

God is dus volgens Spinoza de enige substantie. Al wat is komt voort uit hem. Hij heerst over alles. Maar Hij doet niets, en Hij zegt niets, Hij kijkt zelfs niet toe. Hij laat de mens volkomen ongemoeid. Iedereen kan en mag zelf kiezen wat hij wil doen of geloven. De substantie, de natuur geeft ons een totale vrijheid van doen en denken. Je hoeft naar niemand te luisteren en dus aan niets of niemand te gehoorzamen: je bent voor altijd je eigen baas. Dat is volgens mij de voornaamste reden waarom Spinoza vandaag zo populair is. Wat hij vertelt strookt perfect met de grote verzuchtingen van de hedendaagse massamens: absolute vrijheid, absolute gelijkheid en absolute identiteit. En daar mogen verder geen vragen bij gesteld worden.

Maar we keren terug naar het zeventiende eeuwse Amsterdam waar Spinoza geboren werd. Terwijl de katholieken en de protestanten en de calvinisten en de joden allemaal met geweld hun geloof en identiteit aan hun eigen gemeenschap, en liefst ook aan de hele natie probeerden op te dringen, predikte Spinoza een op Hobbes en Machiavelli gebaseerd afstandelijk individualisme. Ook dat valt vandaag erg in de smaak bij de postmodernen.

Voor Hobbes is een mens per definitie ontevreden. Een tevreden mens zou iemand zijn zonder verlangens. Maar zo iemand bestaat niet. Aangezien we nooit zonder verlangens kunnen leven, heeft het geen zin te verlangen naar een tevreden gemoed. En dus, zegt Hobbes, zit er niets anders op dan van de nood een deugd te maken. In plaats van onze verlangens zoveel mogelijk te beperken, moeten we ze zoveel mogelijk involgen en voldoen. Hij keerde dus het streefdoel van het summum bonum, het hoogste streefdoel van de klassieken en de middeleeuwse theologen, gewoon om. Hij definieerde het geluk als een ononderbroken realiseren van het ene verlangen na het andere. Dat is wat ook Spinoza ons aanraadt. Er is geen summum bonum, en er is ook geen sprake van een causa finalis, er is geen einddoel. Geen hemel of aards paradijs om naar te streven. Nihilisme, individualisme, consumentisme, postmodernisme en kapitalisme, vinden hier de verantwoording van hun ideologie.

De god van Spinoza

Er bestaat volgens Spinoza niets buiten God. De natuur is God. God is alles. Hij is het Al met een hoofdletter. Dat betekent dus dat Spinoza pantheïst is. Maar dat wil niet zeggen dat hij in het heidens animisme gelooft. Zijn pantheïsme is min of meer geïnspireerd op het neoplatonisme. Hij staat op de schouders van reuzen als Plotinus (? – 270) en Giordano Bruno (1548 – 1600), die grote geleerden waren, maar die hun denken nooit in wetenschappelijke termen konden naar voor brengen, omdat de wetenschappelijke taal in hun tijd nog niet echt bestond, en ook vrijuit spreken onmogelijk was. Zij verkondigden dat God het Ene is. Wat zij met het Ene bedoelden is vandaag niet meer te achterhalen. De betekenis van de woorden die de neoplatonisten gebruikten is verdwenen van de aardbol. Ik lees even een beroemd citaat van Giordano Bruno voor. Als u meent iemand te zijn of iemand te kennen die het kan uitleggen, graag een seintje, alstublieft.

Het universum is één, oneindig en onbeweeglijk. Ik beweer dat de absolute mogelijkheid één is, en dat het handelen één is. De vorm, of ziel is één, de materie, of het lichaam is één. Het ding is één, en het zijn is één. Het maximum, en het optimum is één, het kan niet begrepen worden en is daarom ondetermineerbaar en onvatbaar, en dus oneindig en onbegrensd, en bijgevolg onbeweeglijk. Het ondergaat geen plaatselijke beweging aangezien er niets is erbuiten van waaruit het kan bewogen worden, gegeven zijnde dat het zelf het Al is.(Giordano Bruno, Over de Oorzaak, het Principe en het [of de] Ene, 1584)

Er is wel een grondig verschil tussen het Ene van de neoplatonisten en de substantie van Spinoza: de God van het neoplatonisme staat als volmaakte essentie boven alles wat werelds is. En in die visie moet de mens zich opwerken om zich tot dat transcendente Ene te verheffen. Aan de mens wordt dus door de neoplatonisten een uitdrukkelijk doel opgelegd. De neoplatonist moet trachten die hogere kennis en die vorm van uitmuntendheid te bereiken waarvan de hemel het symbool is. Er wordt onderscheid gemaakt tussen het bovenaardse, waar de goddelijke volmaaktheid, de Eenheid, heerst, en het aardse, waar tweedracht heerst, en waar de duivel een belangrijk aandeel van de koek voor zich opeist. De taal van de neoplatonisten wordt vandaag niet meer begrepen, zei ik. De dwaasheid van de moderne lezer gaat zelfs zo ver dat velen nu denken dat zij met de aarde de wereldbol bedoelden, wat de Fransen le plancher des vaches noemen. En dat het bovenaardse een verzonnen paradijs is waar geen ernstig mens nog in wil geloven. De werkelijke betekenis van die termen is nochtans niet moeilijk te raden: het aardse betekende voor de neoplatonisten de gemeenschap waar mensen samenleven als barbaren, die elkaar zonder nadenken louter als concurrenten behandelen en gedachteloos de modellen die de propaganda hen opdringt nabootsen, zonder nadenken, en dus zonder het onderscheid te maken tussen Goed en Kwaad. Met het bovenaardse bedoelden de neoplatonisten de gemeenschap waar mensen samenleven met respect voor elkaar en voor de wetten, en in volle kennis van het onderscheid tussen Goed en Kwaad. Dat onderscheid was voor hen het begin van de wijsheid.

Spinoza ontkent formeel dat er enig hoger doel voor de mensheid zou bestaan. Er bestaat geen doel, geen causa finalis, en er bestaat geen onderscheid tussen Goed en Kwaad. Naar Spinoza’s god kun je niet opklimmen, naar eenheid met het goddelijke kan niet gestreefd worden. God is niet verheven boven iets, hij is letterlijk alles. En boven alles is er niets. Spinoza verwerpt elke vorm van doelgerichtheid. De enige vraag die wij ons moeten stellen, als wij onszelf willen kennen, is wat de oorzaak van ons handelen is. De causa efficiens. En die kunnen we vinden door de natuur te bestuderen. De mens is zelf een onderdeel van de natuur, en in de natuur van de mens zit God. Hoe beter we onze natuur kennen en involgen, hoe dichter we bij god komen en hoe beter we zullen leven, beweert hij.

Spinoza was een determinist, maar, zei hij, de mens kan toch tot vrijheid komen door de oorzaken te ontdekken van zijn verlangens en affecten. Wie zich bewust is van zijn eigen verlangens, maar de oorzaken ervan niet kent, blijft er de slaaf van. De deugdzame mens komt door de rede en de kennis tot ware vrijheid, ondanks het feit dat hij volkomen gedetermineerd is. Wie erin slaagt zijn handelen volledig vanuit zijn eigen natuur, zijn eigen inwendige noodzaak te kiezen, die is vrij. Wie zich door uitwendige beïnvloeding laat misleiden, blijft in slavernij gevangen (Ethica Hfdstk 4 en 5). Dat is pas koren op de molen van de postmodernen: luister naar niemand, luister alleen naar jezelf. Maar dat klopt helemaal niet, want door te mediteren en je geest voor de goddelijke inspiratie van je eigen natuur open te zetten, leer je niets. Geen wiskunde, geen talen, en geen goede manieren. En ook geen methode om verstandig te denken. Dat is althans mijn ervaring sinds 77 jaar…

Volgens Spinoza is de introspectie echter geen zaligmakende methode. Het probleem, zegt hij, is dat de mens denkt dat hij vrij is, maar hij vergist zich over de oorzaken van zijn handelen. Hij vat zijn verlangens verkeerd op. Met andere woorden, om zichzelf te kennen, zou hij eerst zichzelf moeten kennen. De mens is het slachtoffer van zijn eigen verbeelding. Alles wat hij wil en zegt en doet is het gevolg van de instinctieve drang die de natuur, God dus, in hem heeft ingeplant. De natuur heerst en stuurt, en alles is daardoor ofwel noodzakelijk ofwel onmogelijk

En als we denken dat daarmee de kous af is, hebben we het verkeerd voor, want de vrijheid van het individu is afhankelijk van de macht waarover het individu beschikt. Mijn vrijheid reikt zover als tot waar ik mijn macht kan laten gelden. Waar ik bots op de macht van de sterkere andere, stopt mijn vrijheid. En dat is ook noodzakelijk: zoals alles in de natuur.

Spinoza vindt, zoals Machiavelli dat ook de dictatuur soms noodzakelijk is, maar dat de democratie de mensen wel degelijk de meeste kansen biedt op bevrijding. Tegelijk stelt hij dat nederigheid en angst en berouw nuttig zijn voor het volk, omdat die gevoelens de leiders helpen het plebs te beteugelen. En tegelijk windt hij zich op over het bijgeloof dat die nuttige gevoelens opwekt en in stand houdt. Het bijgeloof wil hij dus afschaffen. De mens die van het bijgeloof bevrijd is zal volgens hem uit zichzelf automatisch kiezen voor de rede, en zo tot ware vroomheid komen: hij zal besluiten te leven volgens de regels, zonder misbruik te maken, zonder diefstal of geweld. Want naastenliefde en liefdadigheid zijn in overeenstemming met de rede en maken de mens vrolijk. De lijfspreuk van Spinoza is: Bene agere et laetari. Het goede doen en blij zijn.

De politiek moet de vrijheid van het volk respecteren. Het bewind moet de mens vrij laten om zelf zijn verstand te gebruiken. Daarom is Spinoza voorstander van de democratie. Als de mens zijn zin mag doen, dan zal hij goed voor zichzelf zorgen. En als iedereen wordt aangemoedigd om zijn zin te doen, dan ontstaat vanzelf de ideale samenhorigheid. Spinoza redeneert min of meer gelijk Adam Smith: laat de burger vrij, en je zult zien dat hij goed voor zichzelf zal zorgen, en zo komt alles goed. We weten dat er ondertussen bijkomende voorwaarden zijn geformuleerd, en in de eerste plaats, door Adam Smith zelf.

Ik som uit het boekje van Tinneke Beeckman nog een paar uitspraken op die een glimp laten zien van Spinoza’s filosofie:

– God komt nergens tussen. Er is geen goddelijk plan voor de natuur en dus ook niet voor de mens.

– Mensen bootsen elkaar na. Ze volgen hun lustprincipe. Dat is hun natuur. Er is geen vrije wil. Alles is gedetermineerd door de substantie. Alles heeft een oorzaak, maar niets heeft een doel. Wie zichzelf wil begrijpen moet zich de vraag stellen wat de oorzaak is van wat hij doet of denkt. (Niet wat het doel of de bedoeling is van zijn inspanningen.)

– De mens moet zijn lot aanvaarden want het komt door God tot hem. (Dat is de Amor fati van de Antieken, die we later bij Nietzsche terugvinden.)

– Filosofie is zich toeleggen op de waarheid.

– Er is nooit een paradijs geweest waar de mens gelukkig en zonder pijn of zorgen leefde. Er is geen zondeval geweest. ‘Het kwaad is niets omdat ook het goede niets is’.

Mijn conclusie? Spinoza’s filosofie is voor een denker die met beide voeten op de grond wil blijven, een vreemde vorm van metafysica vol onoplosbare tegenspraken en paradoxen. Daar waar de klassieke filosofie leert dat de passies met de rede moeten worden bedwongen, zegt Spinoza dat dat niet lukt. Het lijden – het verlangen – blijft stokken in de wielen steken. De menselijke natuur wil niet inbinden. God, de substantie in ons, wil naar ons verstand niet luisteren, en evenmin naar de wetten. Maar tegelijk heeft Spinoza het volste vertrouwen in de rede. Ik vrees dat er nog heel veel metafysisch jargon nodig zal zijn om al die stellingen met elkaar te laten rijmen.

En dan Descartes

Descartes was een wetenschapper. Een echte zoals er vandaag bij mijn weten geen meer bestaan. Als je even op Wikipedia kijkt begint je hoofd te tollen als je alleen de opsomming leest van de vakgebieden waarop hij als wetenschapper actief is geweest en de ene uitvinding na de andere heeft gedaan: hij was filosoof, wiskundige, musicoloog, natuurkundige, astronoom, ingenieur, bioloog, ontwerper van mechanische automaten, bedreven militair, schrijver en leraar. Hij was het absolute model van de uomo universale. Wat niet in de opsomming van Wikipedia voorkomt is dat hij bovendien een humorist was. Humor is een geestesgave die aan weinige geleerden en filosofen gegeven is, en die vandaag weer helemaal uit het filosofisch denken verdwenen is, precies zoals ook gebeurde op het einde van de Middeleeuwen met de scholastiek van het Vaticaan en de Sorbonne. Descartes is ook de enige filosoof die je niet kunt betrappen op verwarrende uitspraken.

Maar voor ik daar verder over vertel moet ik eerst de vraag beantwoorden wat de jonge Descartes, die bij de jezuïeten in Parijs Latijn en wiskunde had geleerd, in Ulm kwam zoeken. Hij was 23 en had zijn humaniora opleiding al acht jaar achter de rug. Ondertussen had hij al volop aan den lijve ondervonden en ook heel goed begrepen dat hij niet vrijuit kon spreken en schrijven over het wetenschappelijk onderzoek waarmee hij zich gepassioneerd bezig hield. De censuur en de Inquisitie lagen overal op de loer om de vrijdenkers de mond te snoeren. Wetenschappelijk onderzoek, van welke aard ook, kwam meteen in aanvaring met de kerkelijke dogma’s en met het heersend bijgeloof, en aan geen van beide mocht worden getornd. Er vragen bij stellen was bij wet verboden. Om aan dat verstikkend intellectueel klimaat te ontsnappen, besloot de jonge Descartes op reis te gaan.

Les voyages forment la jeunesse

Descartes behoorde tot de lage adel. Dat liet hem vrij om ongedwongen door het leven te gaan. Hij was niet zoals de kinderen van de hoge adel verplicht in de voetsporen van zijn vader te lopen om de familie-eer hoog te houden, en hij kon ruimschoots op de financiële steun van zijn achterban rekenen om te reizen, boeken te kopen, en zijn eigen weg te gaan. De twee populairste adellijke sporten van die tijd waren de jacht en de oorlog. Als onervaren student koos hij voor de oorlog. Nieuwsgierig naar avontuur en naar wat goede meesters hem konden leren, trok hij naar Duitsland. Daar liet hij zich inlijven in het leger van Maximiliaan van Beieren als soldaat zonder wedde. Oorlog was een sport voor de mannen, en het oorlogsseizoen was in die tijd een beetje te vergelijken met het voetbalseizoen vandaag. Als de winter eraan kwam was het seizoen voorbij, de legers werden ontbonden en de soldaten gingen naar huis, om het volgend jaar, in de lente, weer met verse moed ten velde te trekken.

De winter kwam en Descartes verliet dus de dienst. Maar in plaats van terug naar huis te gaan, huurde hij ergens in de buurt van Ulm een comfortabele kamer voorzien van een tegelkachel, een poêle. En hij zette zich aan het lezen en het studeren en het denken. Hij maakte er, als vrolijke jongen, ook vrienden. Zo kwam hij in contact met een geheime genootschap van Lutherse geleerden die zich de Rozenkruisers noemden, en die via de studie van de alchemisten en de Antieken het spoor van de gnostici waren opgegaan. Zij hadden net anoniem een drietal mysterieuze manifesten gepubliceerd, waaronder de Fama Fraternitatis (1614) en de Confessio Fraternitatis (1615). Daarin werd een nieuwe filosofie aangekondigd die gebaseerd was op een wetenschappelijke benadering van de alchemie en de christelijke mystiek, maar evenzeer op de antieke Egyptische en Griekse mysteriën, op het hermetisme en het soefisme. Francis Bacon werd genoemd als Imperator van de orde.

Descartes was als denker zeer geïnteresseerd in hun verhalen, maar bleef op zijn hoede. Hij was erg nieuwsgierig naar hun filosofische en theologische standpunten, maar hij liet zich niet overtuigen door hun mysterieuze rituelen die dicht bij de Vrijmetselarij stonden.

Wetenschap was in die tijd per definitie een verdachte vorm van nieuwlichterij. Ze stelde godslasterlijke vragen. De Bijbel werd toen nog gelezen als de letterlijke openbaring van de goddelijke waarheid over alles door God zelf: His Master’s voice. Geen letter mocht aan de kerkelijke leer worden veranderd en geen uitspraak ervan mocht worden in twijfel getrokken. En alle teksten werden letterlijk geïnterpreteerd. Maar sinds de Renaissance stelden de wetenschappers niet alleen vragen bij de teksten, ze durfden ze zelfs tegenspreken. De Rozenkruisers werden als ketters beschouwd en waren gedwongen om hun wetenschappelijk werk in het geheim verrichten. Op zich was dat niet nieuw, want de middeleeuwse alchemisten deden dat al minstens sinds de twaalfde eeuw. Maar de Rozenkruisers wilden met een nieuw algemeen wetenschappelijk denken naar buiten komen, en de wereld veranderen. Dat zorgde voor hevige beroering. Al wie het kerkelijk gezag durfde tegenspreken werd als een suppoost van de duivel beschouwd en hem werd onmiddellijk het zwijgen opgelegd. Om hun filosofie een vaste vorm te geven en tot een nieuwe doctrine te organiseren, en desondanks toch aan de censuur te ontsnappen, namen de Rozenkruisers de geheimtaal van de alchemisten over. Ze schreven in het Latijn, maar nu ook in het Duits. Want het was hun bedoeling zoveel mogelijk mensen te overtuigen, ook zij die geen geleerden waren en geen Latijn kenden. Hun geheimtaal, die alleen kon begrepen worden door ingewijden, was opgebouwd rond geijkte formules waarmee zij hun verhaal vertelden. Ik citeer een paar voorbeelden:

Das zeitliche Nichts und doch Alles. Das ewige Nichts und doch Alles.

Die Frucht des ersten Principii. Die Frucht des andern Principii.

Der Baum nach dem ersten Principium böse, nach dem andern gut, nach dem dritten ist er erkenntlich.

Ich bin das Wasser des Lebens und habe in mir verborgen den Stein der Dreifaltigkeit den die Weisen lieben, die Narren aber verachten und nicht kennen.

Das Licht ist aus der Finsternis gerufen worden.

Descartes was geboeid door het verhaal dat de Rozenkruisers vertelden, maar hij geloofde niet in hun esoterische manier van communicatie. Die geheimdoenerij zou volgens hem tot hetzelfde probleem leiden als de Middeleeuwse scholastiek: onduidelijkheid, verwarring, eindeloze discussies, en hermeneutische interpretatieproblemen leidend tot debatten zonder uitkomst. Das Licht ist aus der Finsternis gerufen worden. Het licht werd uit de duisternis geroepen. Misschien is dat wel juist, maar wat is de betekenis van die uitspraak? Elke predikant, elke politicus, kan er zijn eigen draai aan geven, en uiteindelijk blijft alles toch zweven in het ongewisse, met het gevolg dat in de praktijk de machtigste overal zijn waarheid blijft dicteren en ongehinderd de wetten kan blijven stellen. En de wetenschap dus niet vrij kan bedreven worden… Descartes vond dat de wetenschap duidelijke taal moest spreken om de mensen te overtuigen. De complexiteit van het filosofisch discours was sedert Thomas van Aquino tot in het absurde gedreven, en de standpunten van de verschillende scholen en geloofsovertuigingen waren zo uiteenlopend en contradictorisch, dat het filosofisch en religieus denken in een Gordiaanse knoop was geraakt. Het christendom was in een diepe crisis terechtgekomen en het was overal godsdienstoorlog in Europa. Een jaar eerder, in 1618, was de Dertigjarige oorlog uitgebroken…

In de maand november van het jaar 1619 overkwam Descartes iets heel bijzonders.

Voorlezen:

In november van het jaar 1619 bevond Descartes zich te Ulm, waar hij een verwarmde kamer, een poêle, had gehuurd, met het doel zich ongestoord te kunnen wijden aan overpeinzingen van wetenschappelijke aard. Op de tiende van die maand vond hij in die kamer het beginsel , waarop, zijns inziens, een geheel nieuwe wetenschap kon worden gebouwd, en waarop ook, dat zij dadelijk gezegd, de geheel nieuwe wetenschappen van techniek en natuurwetenschappelijke geneeskunde (beide stonden Descartes scherp voor ogen) werkelijk gebouwd zijn. Descartes raakt dan in een toestand van geestdrift, van gloed – van ‘enthousiasme’ schrijft hij zelf. En in die toestand van opgewonden bezieling valt hij, aan het einde van de dag, in slaap. Hij droomt dan drie indrukwekkende dromen, die bewaard zijn gebleven maar waarop ik hier niet kan ingaan. De volgende dag herinnert hij zich de vondst van dat nieuwe beginsel en de toestand van goddelijk geluk waarmee die vondst gepaard ging. Hij is nog onder de indruk van zijn dromen en voelt zich onzeker. (Jan Hendrik van den Berg, Metabletica van God, p.19)

Na die plotse verbluffende ingeving voelt de jonge Descartes zich dus dolblij en tegelijk overdonderd en onzeker. Wat die ingeving was weten we niet, want hij heeft het nooit opgeschreven. Van den Berg spreekt over een mystieke roes die theologisch benauwend is geworden. Hij gaat verder:

Natuurlijk zijn we benieuwd te weten welk principe Descartes op de tiende november van het jaar 1619 heeft gevonden. Daarover licht hij ons niet in. Naar alle waarschijnlijkheid stond een omschrijving van zijn principe in het verloren geraakte geschrift met de titel Olympica. Maar in de door Leibniz overgeschreven gedeelten van de Olympica en in latere aantekeningen van Descartes zelf zijn onvoldoende aanwijzingen te vinden om te weten wat dit principe inhield. (p. 21)

Van den Berg laat niet na om zelf een hypothese naar voor te schuiven, die hierop neerkomt dat Descartes plots zou begrepen hebben dat de wetenschap niet alleen de juiste manier is om de natuurlijke processen te beschrijven, maar dat ze ook kan dienen om te voorspellen.

Wanneer van welk gebeuren in de natuur ook, bekend is wat dit gebeuren gedurende een relatief korte tijd tot nu inhield, kan met zekerheid worden voorspeld, liefst berekend, wat van dat gebeuren in de toekomst plaatsvindt. Eenvoudiger gezegd, bij natuurlijke processen is het voldoende het verleden te kennen om de toekomst te kunnen voorspellen. (p. 21)

Dat is een betekenisloze hypothese die slechts de bevestiging inhoudt van wat iedereen al eeuwen weet. En niemand krijgt daar ooit een mystieke roes van. Als ik bij Google de vraag stel ‘Welke mystieke ervaring had Descartes de Ulm?’ krijg ik van het AI orakel het volgende antwoord, dat de situatie goed samenvat, maar verder geen enkele duidelijkheid verschaft over de aard van dat plotse inzicht:

De “mystieke ervaring” van René Descartes vond plaats in de nacht van 10 op 11 november 1619 in de buurt van de Duitse stad Ulm, waar hij als soldaat verbleef tijdens de Dertigjarige Oorlog. In een vlaag van intens denken en wellicht door de kou, trok Descartes zich terug in een poêle (een kleine, warme kamer of een wandkachel) waar hij drie opeenvolgende dromen had die zijn leven en filosofie radicaal veranderden. Hier zijn de kernpunten van deze ervaring:

– De Dromen: Descartes interpreteerde de dromen als een goddelijk teken dat hem de basis gaf voor een nieuwe, rationele wetenschap. In de dromen kwam onder andere een wervelwind voor, spoken, en de angst om zijn evenwicht te verliezen.

– De Roeping: Hij zag het als zijn Missie om alle menselijke kennis te verenigen door middel van de wiskunde en de rede.

– Fundament voor Methode: Deze ervaring wordt vaak gezien als het moment waarop hij het besluit nam om te twijfelen aan alles wat niet absoluut zeker was (radicale twijfel), om zo tot ware kennis te komen.

– Invloed: Deze nacht legde de basis voor zijn latere werk, waaronder de Discours de la Méthode (Verhandeling over de Methode). Hoewel het vaak een “mystieke ervaring” wordt genoemd vanwege de spirituele en droomachtige aard, wordt het door filosofen meer gezien als een moment van diepe intellectuele verlichting.

Wat die intellectuele verlichting inhield, daar hebben we het raden naar. Ook hier vind ik geen spoor van enige aanleiding tot mystieke vreugde of tot religieuze benauwdheid.

Mijn hypothese

Ik heb mij natuurlijk niet ingehouden om hier zelf over na te denken, en ik denk dat ik wel een eenvoudige verklaring kan geven voor wat er gebeurd is. Ik meen dat een gezonde dosis tijdsbesef volstaat om het te kunnen raden. Wanneer we het religieus en politiek tijdskader van de zeventiende eeuw voor ogen houden, weten we dat sinds de Renaissance de jacht op wetenschappers geopend is in alle christelijke contreien: Erasmus en Rabelais (1494-1553) hadden er in de zestiende eeuw al erg veel last van. Dürer (1471–1528) werd er moedeloos en melancholisch van. In de zeventiende eeuw kregen Galilei en Molière, Descartes en Spinoza, en vanzelfsprekend ook de Rozenkruisers, ermee te maken. Van Spinoza is bekend dat hij vaak tegen zichzelf caute zei, pas op! om zich er steeds opnieuw aan te herinneren dat hij moest opletten wat hij zei en schreef. Want hij had een moeilijk karakter en wond zich vlug op.

De mystieke ervaring en de aansluitende theologische benauwdheid van Descartes te Ulm had ongetwijfeld te maken met de overal aanwezige angst voor de censuur en de Inquisitie. Het fantastisch vernieuwend inzicht waar hij plots toe gekomen was toen hij in zijn poêle zat te denken, was dat eigenlijk alles in de wereld door natuurwetten wordt geregeld, terwijl iedereen in zijn tijd, en dus ook hijzelf tot op dat moment, ervan overtuigd was dat God alles in de wereld in handen had en in goede banen leidde. Hij zag plots in dat hij, als hij met zijn natuuronderzoek wilde doorgaan, met twee voeten tegelijk over God heen moest springen, en diens gezag over de mens en de natuur moest ontkennen. Het drong in een flits tot hem door dat God overbodig werd wanneer de wetenschap alles kon verklaren. En dat God dan ook helemaal afwezig zou zijn in de materiële wereld, precies zoals de Rozenkruisers vertelden. En dat alles wat door de officiële theologen en de filosofen over de schepping en de natuur en de mensen verteld werd, fictie was, mythe. En dat, als hij echt betrouwbare wetenschappelijke kennis wilde opbouwen, hij dus tabula rasa moest maken van alles wat de universiteiten aan kennis doceerden, en alle dogma’s moest ontkennen die de kerk aan de gelovige gemeenschap oplegde. Hij vond het een fantastisch nieuw inzicht, maar het sloeg bij hem in als een bom, want hij besefte dat hij met die hypothese plots moederziel alleen zou staan in een volledig vijandige wereld. Hij zag zich al als de zondebok midden in de kring van zijn beulen staan, klaar om het lot van de heilige Stefanus te ondergaan (Handelingen 7 : 51 – 60). Hij kreeg er nachtmerries van. En wat moest hij dan over God nog vertellen?

Zijn eerste reactie was het hoofd buigen vol schuldgevoel over die heiligschennende gedachten: hij beloofde onmiddellijk naar Loreto op bedevaart te gaan om boete te doen voor zijn godslasterlijke ingeving. En, hoewel daar geen bewijzen voor bestaan, heeft hij dat hoogstwaarschijnlijk ook gedaan. Maar hoe langer hij erover nadacht, hoe meer hij begreep dat hij als wetenschapper niet anders kon dan doorgaan met zijn onderzoek. En dat is dus wat hij tenslotte deed. Maar hij was er zich diep van bewust dat hij een pad was opgegaan waar hij altijd alleen zou lopen. En hij bleef zich schuldig en door iedereen bedreigd voelen. Sinds die dag trok hij zich terug in de stilte, hij nam ontslag uit het leger en werkte in afzondering verder. Negen jaar lang sprak hij er met niemand over. Hij verhuisde bijna onmiddellijk naar Nederland. En daar verhuisde hij zeer regelmatig opnieuw om rust en veiligheid te zoeken. Ondertussen verwierf hij met zijn wetenschappelijk onderzoek langzaam een zekere bekendheid in de hoogste kringen. In 1627 gaf hij te Parijs, in de kring van Marin Mersenne, voordrachten over zijn filosofische beschouwingen en over optica. Hij ontmoette daar kardinaal Pierre de Bérulle, de stichter van de Oratorianen, en hij vertelde hem over zijn gewetensproblemen. In plaats van Descartes aan te manen om zijn godslasterlijke activiteiten op te geven, moedigde de Bérulle hem aan om met een gerust geweten met zijn wetenschappelijk onderzoek door te gaan. De verborgen waarheid onthullen is een dienst aan God en de mensheid bewijzen, zei hij: hij noemde het une mission sacrée et comme divine. De Bérulle werd Descartes’ biechtvader, zijn directeur de conscience.

Nog tien jaar later, in 1637, publiceerde Descartes eindelijk zijn wetenschappelijke filosofie, de Discours de la Méthode. En daarmee zette hij het modern denken eens en voor altijd op het spoor van de wetenschap. De oude scholastieke filosofie werd de facto een doodlopend spoor.

Spinoza heeft Descartes nooit ontmoet. Hij heeft zijn werk pas ontdekt rond 1655. Descartes was dan al vijf jaar dood. Spinoza was meteen gebiologeerd door de scherpzinnigheid en de methodische werkwijze van Descartes. Maar hij begreep hem niet: hij miste iets essentieels om een groot denker te zijn. Hij kende geen humor. Hij stond er ook om bekend dat hij nooit lachte.

Voor zover op te maken valt uit zijn geschriften en zijn erg vaag levensverhaal, was Spinoza een bijzonder eigengereide koppige mens, een grimmige verborgen atheïst, die van Descartes de euclidische methode overnam, maar van meet af aan een verkeerd vertrekpunt koos: het bekende ‘Deus sive natura’. Spinoza was geen goede lezer, hij las alles letterlijk en beschouwde de Bijbel als een voorbijgestreefde mythe, zoals ook de ongelovigen vandaag. Ook dat is weer een raakpunt met het postmodernisme.

De god van Descartes

Descartes had te Ulm begrepen dat hij op de één of andere manier eerst God moest uit de weg denken, vooraleer hij ernstig kon beginnen met wetenschappelijk onderzoek. Zolang hij dat niet deed, bleef hij eerlijkheidshalve verplicht het absolute gezag van God te erkennen. Dat wilde zeggen dat hij dan de theologie volledig ernstig moest nemen en de wetenschap mocht vergeten. Wie over de mens en de natuur uitspraken wilde doen, moest in die tijd de Bijbel en de dogma’s bestuderen en mocht zich niet bezig te houden met wetenschappelijke experimenten of onderzoek. Descartes zag plots in dat hij, om vrij onderzoek te kunnen doen, het hele middeleeuwse theoretische denken, waarvan Gods gezag de hoeksteen was, onderuit moest halen en radicaal verwerpen. Hij moest voor het Woord van de wetenschap kiezen. Hij moest vanaf nul herbeginnen. Tabula rasa. Hij begreep dat hij pas dan, zoals Galilei, op zoek kon gaan naar de onveranderlijke en eeuwige natuurwetten. Hij moest dus kiezen: God of de wetenschap. Hij koos voor de wetenschap.

Maar wat kon hij dan met de God beginnen waar hijzelf, zoals iedereen in die tijd, rotsvast in geloofde? Hij verzon daarvoor een elegante rationele oplossing: hij ontwierp wat later het deïsme zou genoemd worden. Hij liet aan God de plaats van schepper van het universum en koos voor de onbewogen beweger van Aristoteles. Maar hij herleidde Hem tot de onbewogen niet-beweger, de horlogemaker van het universum. God, zei hij, was de schepper die éénmalig de wereld had geschapen en de natuurwetten voor eens en voor altijd had vastgelegd. Hij had alles zo volmaakt geschapen en de natuurwetten zo foutloos opgesteld, dat hij nadien nooit meer in het universum hoefde tussen te komen. Met andere woorden, de God van Descartes had de schepping met een eenmalige vingerknip in gang gestoken, en ervoor gezorgd dat alles in de natuur verder vanzelf evolueerde. Descartes vond dus meteen ook de eerste wet uit van wat later de evolutieleer zou worden. God hoefde niet meer aanwezig te zijn in de schepping. Waarom had hij trouwens in zijn voorzienigheid aan de mens het verstand gegeven? Was dat met de bedoeling dat hij het niet zou gebruiken? Hij kwam tot de conclusie dat het de mens vrij stond de natuur te bestuderen en de goddelijke wetten door rationeel wetenschappelijk onderzoek op te sporen en er tot meerdere eer en glorie van God de schoonheid van te onthullen. Dat kwam erop neer dat God op slag, in plaats van overal aanwezig, zoals de Mechelse catechismus het zegt, onder de mensen alleen als geest aanwezig, en in de natuur helemaal afwezig was. Maar dat inzicht was alleen bestemd voor de geleerden, de wetenschappers. Diegenen die daarvan overtuigd moesten worden waren de hoge clerus en de hoge adel. Het volk kon rustig blijven geloven in de alomtegenwoordige God, en godsvruchtig ter kerke gaan.

De aristocratie was er zich in de zeventiende eeuw heel goed van bewust dat de wetenschap geen spek is voor de bek van iedereen. Het volk is nooit in staat bewust in de realiteit te leven. De reële wereld van de wetenschap, de natuur, is alleen via rationele weg toegankelijk. De volksmens leeft niet in de wereld van het rationele, maar in die van de emotie en het sentiment, de wereld van de fictie. Het is niet de wereld van de geheimen van de natuur, maar de wereld van de verbeelding, de waar gebeurde of verzonnen feiten die worden opgeroepen door mythische verhalen, spektakel en cinema. Vandaag noemen wij dat de virtuele realiteit. Zonder bijgeloof, zonder mythe en rituelen, kunnen mensen geen gemeenschap vormen. Zonder de stichtende mythes kan onder het volk geen sociale consensus bestaan. En dus moet de idolencultus onverminderd doorgaan.

Wij zijn er vandaag van overtuigd dat alle mensen gelijk zijn. We beseffen niet dat Descartes zich met zijn wetenschappelijke theorie enkel tot de geleerde elite richtte die Latijn sprak, dat hij leefde in een wereld waarin de meerderheid nooit een boek las, maar blindelings in engelen en heiligen, toverformules en boze geesten geloofde. Dat geloof kon hij zelf ook zomaar niet zomaar naast zich neerleggen. Het beeld van God bleef jarenlang door zijn gedachten spoken, en behalve met Bérulle kon hij daar met niemand over spreken.

Natuurlijk werd Descartes, ondanks zijn teruggetrokken ascetische levensstijl, als wetenschapper steeds opnieuw van ketterij verdacht en beschuldigd. Om moeilijkheden te vermijden zocht hij bescherming bij mensen van zijn stand, en hij moest ook regelmatig verhuizen. Hij stierf in 1650 te gast aan het koninklijk hof van Zweden.

De god van Spinoza

Spinoza werd natuurlijk op dezelfde manier als Descartes met de alomtegenwoordigheid van God geconfronteerd. Ook voor hem stond God in de weg. Hij zag precies zoals Descartes de fundamentele onverzoenbaarheid in van de zeventiende eeuwse wetenschap met de zeventiende eeuwse religie. Maar hij wilde absoluut vermijden dat hij, zoals Descartes was overkomen, van atheïsme zou beschuldigd worden. Hij vond daar geen elegante oplossing voor. In de Tractatus Theologico Politicus, die hij anoniem liet verschijnen in 1670, beweerde hij dat er geen connectie of verband bestaat tussen geloof of theologie enerzijds, en filosofie anderzijds. De rede en de openbaring hebben volgens hem betrekking op verschillende domeinen. Maar hij kon de afwezigheid van God in de natuur niet bevatten. Hij moest dus een theorie vinden die God overal aanwezig en tegelijk afwezig maakte, overal werkzaam en nergens tastbaar: hij koos voor het deterministisch monisme. God is niet afwezig, beweerde hij, want hij is absoluut overal, maar hij staat de vrijheid van denken toch niet in de weg. Hij is de substantie, hij is letterlijk alles, hij is alles in alles. Hij is de natuur die met haar verborgen wetten de orde in de wereld en het bestaan van de mensen op elk moment voortbrengt.

God, oftewel een substantie die uit een oneindig aantal attributen bestaat die ieder een eeuwige en oneindige essentie uitdrukken, bestaat noodzakelijk. (Ethica, Stelling 11)

Hoe kwam hij op die gedachte? Ik denk dat hij een slechte lezer was. Hij had te laat Latijn gestudeerd. Spinoza had bij Descartes de formule Deus sive natura aangetroffen, en hij had die de zijne gemaakt. Maar, hoewel hij een rationeel denker was en door zelfstudie Latijn kende, interpreteerde hij die uitspraak verkeerd. Hij dacht dat Deus sive natura moest betekenen dat God en de natuur synoniemen waren: God, of met andere woorden, de natuur. Maar voor Descartes betekende deus sive natura dat het ene het andere uitsloot: het is ofwel God, ofwel de natuur. Voor Descartes moest er gekozen worden : God is onverenigbaar met de natuur.

Descartes had ingezien te Ulm dat hij moest kiezen tussen beide, en dat plotselinge mystieke inzicht, waar hij met niemand kon over spreken, had hem erg van zijn stuk gebracht. Hij had plots beseft dat het niet God was die alles deed evolueren, maar dat alles door de natuurwetten werd gestuurd. De Kerk, en dus iedereen, had het bij het verkeerde eind. Vanaf dat moment bouwde hij zijn wetenschappelijk denken over de natuur helemaal op zonder ook maar ergens op God te steunen. Spinoza van zijn kant meende dat Deus sive natura betekende dat God de natuur zelf was, en hij nam de alomtegenwoordigheid van God als de hoeksteen van zijn filosofie. Hij begreep niet dat dat een leugen was. Dat is de reden waarom het geheel van zijn redeneringen niet klopt, hoe intelligent ze ook schijnen.

Het denken van Spinoza zit volgens mij vol onoplosbare tegenspraken en paradoxen. En dat is de reden waarom zijn filosofie vandaag het geliefkoosde onderwerp is van alle mensen die graag debatteren. Je kunt er blijven over redetwisten en artikels schrijven. Spinoza is de stamvader van het postmodernisme.

Descartes of Spinoza?

In de sociale en politieke context van de zeventiende eeuw kon absoluut niemand zich openlijk permitteren om atheïst te zijn. Het was ondenkbaar. Zowel Spinoza als Descartes moesten God dus in hun kosmologie de plaats van het opperste gezag toekennen. Descartes was erin geslaagd om God in zijn verhaal een zinvolle plaats te geven als de schepper en de oorsprong van alle natuurwetten. Descartes was een meester in de ironie, en een diplomaat die zich bewust was van de nutteloosheid van debat, où chacun abonde en son sens… Het debat (waar Jan Hoet de grote apostel van was), de ronde tafel, waar iedereen enthousiast uitpakt met zijn eigen mening, om dan tevreden weer naar huis te gaan zonder ook maar iets nieuws te hebben naar voor gebracht of bijgeleerd, interesseerde Descartes niet. Hij weigerde te debatteren. Hij wilde wetenschap bedrijven, geen metafysica. Hij probeerde zoveel mogelijk de algemene vooroordelen en de religieuze gevoeligheden van zijn tijdgenoten te omzeilen en zelfs – tongue-in-cheek – te vleien, om geen nutteloze agressie uit te lokken.

Ik geef daarvan een klein voorbeeld. Goddelozen hebben natuurlijk altijd bestaan. Er werd hen verweten dat zij de onsterfelijkheid van de ziel ontkenden. Het voortbestaan van de ziel in het hiernamaals was een breekpunt voor het algemeen denken in de zeventiende eeuw. Descartes geloofde niet in de onsterfelijkheid van de ziel. Maar hij kon dat niet opschrijven zonder zichzelf in nesten te werken. Hij loste het probleem subtiel op door er eerst op te wijzen dat er tussen de ziel van de dieren en de ziel van de mensen een belangrijk verschil bestaat. Iedereen begrijpt dat de ziel van een dier sterft als zijn lichaam sterft. Maar wie de ziel van de mens kent, zegt Descartes, weet dat die van een heel bijzondere natuur is. Zij is apart door God geschapen. Daardoor bestaat zij onafhankelijk van het lichaam.

Notre âme est entièrement indépendante du corps, et par conséquent elle n’est point sujette à mourir avec lui : puis, d’autant qu’on ne voit point d’autres causes qui la détruisent, on est naturellement porté à juger qu’elle est immortelle. (Discours de la Méthode, Cinquième partie)

Descartes wist dat de ziel niet onafhankelijk van het lichaam kan bestaan. Maar hij vleit de opinie door op de goddelijke status van de menselijke ziel te wijzen. Daardoor kan zij na de dood van het lichaam voortbestaan, zegt hij: Notre âme est entièrement indépendante du corps, et par conséquent elle n’est point sujette à mourir avec lui. Je kunt in feite, zegt de rationeel denkende Descartes, niet wetenschappelijk bewijzen dat de ziel van een dode ook dood is. We zijn zelfs, voegt hij eraan toe, van nature geneigd te denken dat onze ziel onsterfelijk is: on est naturellement porté à juger qu’elle est immortelle. Hij zegt dus niet dat de ziel onsterfelijk is, maar dat wij van nature geneigd zijn zo te denken. En hij voegt er dan heel subtiel nog een voorwaarde aan toe: d’autant qu’on ne voit point d’autres causes qui la détruisent. Des te meer omdat we geen andere oorzaken zien die haar doden. Waarmee hij de mogelijkheid open laat dat, bij de verdere ontwikkeling van de wetenschap, mogelijks wel een nog ongekende oorzaak zou kunnen gevonden worden waardoor ze wel degelijk sterft. Op de keper beschouwd laat hij de onsterfelijkheid van de ziel in het ongewisse. Maar je moet wel aandachtig lezen om dat op te merken.

Descartes wilde de mens vrij maken door het uitgangspunt van het filosofisch denken rationeel te maken. Hij ontwierp een methode voor het rationeel denken over God, mens en wereld, waar ondertussen heel de exacte wetenschap op gebaseerd is. Hij loste zijn persoonlijke emotionele problemen met zijn agressieve medemensen op, door met humor en zelfbeheersing alle vormen van conflict zoveel mogelijk te vermijden, en te zwijgen. Als het te heet werd in zijn straatje, en zijn buren hem als een vermomde duivel begonnen te bekijken, pakte hij zijn biezen. Hij probeerde debat te vermijden, omdat hij wist dat debat steriel is. Iedereen gaat zich dan bemoeien met dingen waar hij geen verstand van heeft, en de discussie levert niets op. De meningsverschillen blijven bestaan en worden meestal nog aangescherpt ook. Descartes had tijdsbesef. En dus had hij ook geduld. Hij wist dat het hopeloos is te proberen de mensen allemaal gezond verstand bij te brengen.

A laver la tête d’un âne, on perd sa lessive…

Hij wist dat hij, om vooruit te gaan met zijn denken, moest werken. Dat wil zeggen, zwijgen en studeren, lezen en schrijven. Proefnemingen doen in stilte. En nadenken: luisteren naar de grote geleerden van vroeger tijden, en naar de grote denkers van zijn eigen tijd, en zich verre houden van de polemieken die de openbare orde verstoorden.

Wie is dan de grote filosoof? Ik meen dat Descartes de lauwerkrans verdient, omdat hij erin geslaagd is de mythe opzij te zetten waar zij het wetenschappelijk onderzoek in de weg stond. Maar hij deed dat zonder de sociale rol van het volksgeloof te betwisten. Zijn bedoeling was niet het volksgeloof en het bijgeloof aan te vallen. Hij wilde alleen maar ruimte scheppen voor zijn wetenschappelijk onderzoek. Hij was ervan overtuigd dat de wetenschap de mensheid zeer van nut kon zijn. En dat was ook de mening van zijn biechtvader kardinaal de Bérulle.

Descartes begreep dat hij zijn nieuwe wetenschappelijke methode moest baseren op een duidelijk standpunt op het vlak van de filosofie en de theologie, want het middeleeuws scholastiek denken stond zijn project volledig in de weg. Hij ontwierp een filosofie die de alomtegenwoordigheid van God verplaatste in de tijd, maar niet ontkende. Hij verplaatste Gods tussenkomst in de wereld naar het scheppingsmoment. God, zei hij, had als ontwerper van het universum alles zo perfect geschapen dat hij nadien nergens meer hoefde tussen te komen. Hij was alomtegenwoordig in de wetten van de natuur; en de mens was vrij om het verstand waarmee God hem had bedeeld te gebruiken om meer inzicht te krijgen in Gods plannen, en om de natuur met een rationele methode te bestuderen.

Descartes stelde zich op als dualist: hij maakte onderscheid tussen de materiële en de geestelijke wereld. Hij ontkende het bestaan van God niet. Hij bleef gelovig. Hij meende, zoals kardinaal de Bérulle, dat de wetenschap en de theologie elkaar niet uitsluiten, maar elkaar op een zinvolle manier kunnen aanvullen. Op het vlak van de materie moet de wetenschapper vrij zijn om onderzoek te doen. Op het vlak van de geest blijft het de taak van de theologie en de filosofie om het menselijk denken te leiden tot God, en tot meer rechtvaardigheid.

Spinoza vatte de subtiliteit van Descartes’ verhaal niet. Hij bezat onvoldoende tijdsbesef om de alomtegenwoordigheid van God buiten het hier en nu te situeren. Hij verzon het monisme dat God gelijkstelde met de substantie, het al in het nu. Hij erkende geen onderscheid tussen materie en geest, en evenmin tussen goed en kwaad. Hij bond moedig en vastberaden de strijd aan met de mythe en het bijgeloof. Maar tegelijk kon hij niet anders dan vaststellen dat de grens tussen geloof en bijgeloof niet te trekken is, en dat de meerderheid van de mensen slechts beschikken over een beperkte rationaliteit, uitsluitend werkzaam in het kader van hun vakgebied. Maar dat zij zich daarbuiten, als sociale wezens, voornamelijk door hun emoties laten leiden. De meerderheid van de mensen zijn geen filosofen, geen wetenschappers. Spinoza verkoos een verkeerd principe als vertrekpunt. Door God overal in alles te situeren, was God plots nergens meer. Dos Santos koos terecht als titel voor zijn biografie: Spinoza, l’Homme qui a tué Dieu. Toen Nietzsche langskwam hoefde hij het maar op te schrijven: de moord was al gebeurd.

Spinoza heeft niet alleen God vermoord, hij heeft, door het onderscheid te schrappen tussen materie en geest, ook de cultuur vermoord. Hij heeft de deur opengezet voor de desacralisatie van het westers denken. De intellectuelen hebben zich in zijn voetspoor, vanuit rationele overwegingen, verzet tegen de leugens van het bijgeloof, en ze hebben zich, uit onverstand, tegen het geloof zelf gekeerd. Zij hebben de duizenden jaren oude Geest, de spiritualiteit, op de schop gezet. Zij zijn geen vrijdenkers geworden zoals Descartes, maar niet-denkers. Ze hebben, met Spinoza, God zelf afgeschaft, en zo het kind met het badwater weggegooid. In de plaats van God een rationele troon te geven, zoals de grote denkers uit de Renaissance gedaan hadden – zoals Van Eyck Hem heeft afgebeeld op het Lam Gods – hebben ze het verbeeldingsloze atheïsme verkozen. Ze hebben, met hun grote mond, God en de religie en de priesters en de aristocraten het zwijgen opgelegd, en de vrijheid verabsoluteerd. Ze hebben het kritisch denken opgegeven en zijn kijkers geworden zonder tijdsbesef. In plaats van zich in te spannen om van hun kinderen rationele denkers te maken, hebben zij hen geleerd hoe ze rijk moesten worden om zich usque in absurdum in het genot te wentelen. Ze hebben voor zichzelf de gemakkelijke emotionele intelligentie uitgevonden, en aan het volk hebben ze wijs gemaakt dat het daarmee maar zijn plan moet trekken: denk wat je wil, doe wat je voelt. Je bent vrij. Het verstand en de moeilijke lessen van de klassieken, de Wijsheid, hebben ze onder de mat geveegd. Ne quid nimis hebben ze uit hun woordenboek geschrapt. Ze hebben het woord Alles vergoddelijkt: Alles moet kunnen, je mag Alles zeggen, je mag Alles doen. Alles is natuur. Alles is kunst. Alles is God. Vandaag doen ze hun beklag over de onbeschoftheid van het gemeen, waarvan Trump en Netanyahu de door het volk verkozen boegbeelden zijn. De vrijheid van Spinoza heeft de common decency ontmanteld en de ongemanierdheid opgeleverd waar de extreme partijen vandaag gretig op inpikken.

Mijn hypothese is dat Spinoza een dromer was die met Descartes dweepte, maar hem niet begreep. Spinoza huldigt een naïef mensbeeld. Hij gelooft dat wij rationele wezens zijn wanneer wij vrij gelaten worden om volgens onze natuur te doen wat we zelf willen. Hij is een geleerde dromer zoals professor Zonnebloem uit de Kuifjes albums. De postmoderne filosofen die met hem meelopen zijn Jansen en Janssen. Kuifje, die zich van alle vooroordelen niets aantrekt, zwijgt, zelf op onderzoek uitgaat, nadenkt, en het raadsel oplost, is Descartes. Freud, aan wie iedereen die op Molensloot komt logeren, zijn valies mag afgeven, is Nestor. En Nietzsche is kapitein Haddock. De metafysica is een spannend komisch tekenverhaal…

Er is natuurlijk nog zeer veel te vertellen over Descartes en Spinoza, en er zal nog lang gedebatteerd worden over God, maar ik ga het hierbij laten. Ik dank u voor uw aandacht.

Patrick Schockaert

4 mei 2026

patrickschockaert@gmail.com