De implosie van het Onderwijs : deel 2

Toen ik in 1975 als leraar talen mijn eerste stappen zette in het onderwijs, bestond de televisie in België tweeëntwintig jaar. De leerlingen die ik in de klas had keken weinig televisie. Ze mochten alleen in het weekend een film met hun ouders meekijken en ze werden op tijd naar bed gestuurd (waar de slimsten dan natuurlijk nog met een zaklamp onder de lakens in een boek lazen).

Tien jaar later stond er in alle huiskamers een televisietoestel en hadden vele ouders al de warme gewoonte aangenomen om regelmatig met de kinderen mee te kijken naar uitzendingen voor kleuters, terwijl de kleuters ook al vaak met hun zappende ouders de avond in de luie zetel doorbrachten, en ademloos meekeken naar de programma’s die niet voor de kleintjes bestemd waren. De zestien- tot achttienjarigen, keken al elke dag televisie. Ik merkte dat hun talenkennis, en vooral ook hun nieuwsgierigheid voor het schoolse gebeuren taande. In de les stelden ze minder vragen en ze zaten vaker rond te kijken. Hun hoofd zat volgepompt met beelden, en in plaats van hun vinger op te steken, stelden ze zich tevreden met wachten. Ik dacht, het ligt misschien niet aan de televisie, misschien is dat maar een indruk van mij.

Ondertussen was het de onderwijsbonden opgevallen dat de kinderen minder goed presteerden op school. Van de inspectie kwamen nieuwe richtlijnen voor het talenonderwijs : het was niet meer toegelaten woordenschatlijsten te laten van buiten leren, want dat deden de leerlingen niet graag. Elk nieuw woord moest in een zinnetje worden aangeboden, wat een enorm tijdverlies in het talenonderwijs introduceerde. Dictee werd verboden, want dat was een sadistische uitvinding die de leerlingen van hun stuk bracht: wanneer zij hun kopij terugzagen vol kemels en kamelen en rode strepen, en een groot tekort vaststelden aan aanmoedigende puntenscores, waren zij zo ontmoedigd dat zij wekenlang alleen nog televisie wilden kijken. Een tekstje vertalen mocht weldra ook niet meer, want dat was te moeilijk, en ook oneerlijk, want wie thuis tweetalig was opgevoed had dan zonder moeite betere punten, en dat ging in tegen het nieuwe ideaal van het gelijke-kansen-onderwijs… Vervolgens moest, om er zeker van te zijn dat iedereen goede punten kon krijgen, grammatica tot een strikt minimum worden beperkt, want grammatica is saai en alleen nuttig voor wie wil begrijpen wat hij zelf zegt. De Passé Simple werd definitief van het programma geschrapt: te moeilijk, en bovendien ook niet nodig om in het frietkot een kleintje met mayonaise of een Bicky Burger te bestellen. De taal moest toen al niet meer dienen om de geest te vormen of zich verstandelijk en spiritueel te verrijken, maar om zijn weg te vinden in de winkelstraten. Tekstanalyse moest beperkt blijven tot publicitaire boodschappen en bijsluiters van neusdruppels en preservatieven. Want zeg nu zelf, wie heeft er Le lac van Lamartine nodig? Of de fabels van La Fontaine? Of Les Misérables van Victor Hugo?

Nog tien jaar later was de televisie werkelijk overal aanwezig en werden de eerste schermen in de klassen opgesteld. De mens is een oogdier, en de terugkeer naar de natuur was toen volop in de mode. Kijken en knikken werd voor het eerst in het jezuïetenonderwijs belangrijker dan lezen en schrijven. Vol goede wil ging ik op zoek naar interessant beeldmateriaal om het klasgebeuren mee op te luisteren. Het viel mij onmiddellijk op dat het bijkomend opzoekwerk voor de video lesvoorbereidingen mij een zee van extra tijd kostte, en dat ik dus opeens veel minder tijd overhield om zelf te lezen en bij te leren. Is dat laatste niet de heilige plicht van elke leraar? Blijven lezen en bijleren? Ik vervloekte de schermen en keerde terug naar de beproefde oude methode: ex cathedra in plaats van ex televisionibus. En in plaats van mijn leerlingen te laten kijken – een activiteit waarvoor weinig of geen verstand nodig is – liet ik hen lezen en schrijven.

Nog tien jaar later kwamen de eerste tablets op de markt, en in 2010 verscheen de iPad. Rond dezelfde tijd kwamen ook de Android smartphones in de winkels. Het hek was van de dam. De slimme leerlingen die graag op hun gemak helemaal achteraan in de klas zaten, kwamen nu niet meer naar school met een cutter in hun pennenzak om hun lege inktpatronen open te snijden teneinde er de bolletjes uit te halen en tafelvoetbal te spelen met hun buur. Ze zaten onder de bank stiekem Tetris of Pacman te spelen op de telefoon die ze van hun moeder gekregen hadden, omdat het haar zo’n gevoel van veiligheid gaf te weten dat ze op elk moment kon weten waar haar geliefd kind ergens uithing door gewoon even een berichtje te sturen. En als het arme joch op straat door een Groene Hulk of een mislopen pater werd lastiggevallen, kon hij of zij, dankzij die nieuwste bevrijdende technologie, onmiddellijk mama bellen om klacht neer te leggen.

Vandaag zitten we in de eenentwintigste eeuw. Lezen en schrijven is een bijvak geworden. Taal wordt nu door sommige geleerden zelfs als een instinct beschouwd1. De geschiedenis van 5000 jaar schrift wordt meer en meer opzij gezet voor gezellige wereldoriëntatie (naar alles kijken en kruisjes op een blad zetten) en interessante vaardigheden; en vooral ook voortdurend debat waar ieder zijn mening mag hebben. Debat is niets meer dan georganiseerd tijdverlies en hoort niet thuis in de klas, maar op de speelplaats, in het café en op de televisie. Maar dat heeft blijkbaar nog niemand door. Kortom, men snapt niet meer dat taal op school moet aangeleerd worden, en dat leren denken zonder woordenschat of grammatica en zonder literatuur, EN zonder schrijven!!! met de hand!!! niet mogelijk is.

De kwaliteit en de uitgebreidheid van het denken waartoe een individu in staat is, wordt bepaald door de kwaliteit en de uitgebreidheid van de taal die het door studie en oefening heeft aangeleerd…

De grenzen van mijn taal betekenen de grenzen van mijn wereld. (Wittgenstein)

1. Steven Pinker, The Language Instinct, How the mind creates language, 1994. (Wie graag zijn tijd verliest met verzinsels moet dat boek maar eens lezen…)