In het land van de blinden is eenoog koning. (Spreekwoord)
Het gaat niet goed met het onderwijs in onze contreien. De ene minister van onderwijs volgt de andere op zonder dat het tij wordt gekeerd. Met elke verandering die zich aandient worden verse pleisters op het houten been gekleefd en stijgt het ongenoegen in alle geledingen naar nieuwe toppen van wanhoop. Ouders geraken in paniek, directeurs kunnen (of mogen) geen pap meer zeggen, links en rechts worden leraren en vooral leraressen depressief, jonge krachten ontvluchten ontgoocheld het lerarenambt, kinderen vragen zich af wat er van hen wordt verlangd en voelen zich eenzaam, de psychiaters zoeken in alle hoeken naar zingeving en vinden niets meer: het enige wat ze ons nog kunnen aanraden is de kat uit de boom kijken, Wachten. De politiecommissaris trekt zich de haren uit het hoofd, de kinderrechter kan er niet van slapen, niemand gelooft nog in het systeem, en nu is het geld nog op ook.
Elke dag wordt het duidelijker dat er iets grondig mis is met de opvoeding. Iedereen verwacht dat de scholen het probleem gaan oplossen. Hoe? Moeten de kinderen meer inspraak krijgen en meer vrijheid om zelf te kiezen waar ze hun aandacht niet willen aan geven? Moeten ze door de leraren altijd gefeliciteerd worden en nooit berispt? Moeten ze nog meer van nabij begeleid worden? Moet er nog meer gedigitaliseerd worden? Moeten de lessen echt als een feest zijn, leuk en nooit meer saai? Nooit meer discipline, en geen dril? Vrolijke vrijheid en welbevinden, en voor elk kind wat wils, kennis shoppen, zijn dat de doelstellingen van de opvoeding? Of maken wij de kinderen maar iets wijs?
Het hele hedendaagse pedagogische discours is praat voor de vaak. Eindeloos vergaderen en debatteren, en sussen en brandjes blussen. De diepere oorzaken van de malaise worden angstvallig verborgen gehouden; niemand wil het erover hebben, want iedereen heeft boter op zijn hoofd. Te beginnen met de ouders, want die komen eerst.
Ik moest deze morgen naar het gemeentehuis om een nieuwe identiteitskaart te halen. De dame aan het loket handelde in geen tijd met een innemende glimlach en een warme stem de sinds kort totaal gedigitaliseerde uitreikingsprocedure af. Er kwam geen pen of potlood meer aan te pas. Ik hoefde mijn mond niet open te doen en geen twee woorden ver te denken: de machines deden al het nodige. Ze registreerden zelfs, voor het eerst in 76 jaar, mijn vingerafdrukken, terwijl ikzelf en de dame, beide vol beleefde bedoelingen, net even de tijd hadden om naar elkaar te glimlachen. Ik zei dankjewel en wou vertrekken, maar er moesten nog met de bic van dienst een paar kruisjes worden gezet op een papiertje om mijn klanttevredenheid over de dienstverlening te kennen te geven. Als volgend jaar AI zijn tentakels nog wat verder over onze hersenen zal gelegd hebben, zal de camera van dienst de glimlach van de burger automatisch evalueren, en zal ook dat laatste ritueel zich zonder pen of papier voltrekken.
Op weg naar mijn fiets zag ik een nogal slordig geklede man van een jaar of veertig naar zijn auto stappen. Twee meter achter hem liep een meisje op haar smartphone te multitasken. Met haar ene oog hield ze de omgeving en de rug van haar vader in de gaten, terwijl ze met het andere geboeid haar vingertjes liet dansen over het scherm van haar digitale goeroe. Toen ik haar voorbijliep keek ze me heel even aan met ogen zo leeg als een uitgezogen ei. Toen haar vader mijn stap achter zich hoorde, draaide hij zich om en sprak mij meteen aan alsof hij mij al jaren kende en hij dringend met mij een moeilijk probleem moest bespreken.
– “Ja, meneer, zo zijn de kinderen vandaag. Ze zitten heel de dag bezig met die domme telefoons, ze kijken naar niemand en ze luisteren niet. En als je hen dat spul afpakt schreeuwen ze het hele kot bijeen, en dan heb je geen ogenblik rust meer.”
– “Je moet erop slaan!” raadde ik hem aan.
– “Ja, ik zou wel willen, maar dan word ik beschuldigd van kindermishandeling!”
– “Je moet niet op het kind slaan, hé! Je pakt een hamer en je slaat op die telefoon!”
– ”Awel ja, dat zou ik moeten doen!” zei de man.
Hij stapte in zijn auto en reed weg. Het meisje zat naast hem en streelde nog altijd haar schermpje. Ze keek niet op in het voorbijrijden.